De hadj was reeds een verplichte plicht in de vroegste goddelijke wetten. Zij werd op volmaakte wijze verricht door de engelen, door Adam en Eva en door alle profeten van God(15). Ibrāhīm, de leider van de monotheïsten, bracht daarin aanpassingen aan en vernieuwde haar(16), en Ismāʿīl kreeg de opdracht de voorbereidingen te treffen voor het vestigen van deze heilige ritus(17).
De Edele Boodschapper (vrede zij met hem en zijn familie) verrichtte de rituelen van deze verplichting vele malen, ondanks alle moeilijkheden waarmee hij werd geconfronteerd(18). Gedurende lange jaren spande hij zich in om deze verplichting te verankeren en de moslims voor te bereiden op het verrichten van de ware hadj. Uiteindelijk, na bittere gebeurtenissen en talrijke veldtochten, en na strijd met ziel, bezit en geest, en na het offeren van de dierbaarste martelaren en geliefden, alsook leiders en pioniers van de islam, werd hij erin geslaagd Mekka binnen te gaan in het achtste jaar na de hidjra. De stad werd door de moslims geopend, waarna hij (vrede zij met hem en zijn familie) in het negende jaar na de hidjra de Afscheidshadj verrichtte, in gezelschap van tienduizenden moslims en metgezellen(19), met grote eerbied en luister, in een sfeer die vervuld was van zuivere spiritualiteit en volledige oprechtheid, vermengd met de grote kracht en het gezag van de islam(20).